Uit het herkomstonderzoek naar de periode 1933-1945 komen geen indicaties naar voren die wijzen op mogelijk onvrijwillig bezitsverlies.
Het schilderij werd hoogstwaarschijnlijk in 1935 door kunsthandel Katz gekocht op de veiling van de collectie van de heer A.J. de Jong Schouwenburg (Gorssel). Daarvoor was het waarschijnlijk al geruime tijd onderdeel van de collectie van de heer A.J. de Jong Schouwenburg.